wortels

‘LA’s fine, but it ain’t home
New York’s home but it ain’t mine no more.’
Zingt Neil Diamond in ‘I Am, I Said.’
Dat herken ik.
In mijn geval gaat het niet om metropolen maar om twee Brabantse provinciestadjes, 23 km van elkaar verwijderd, en misschien is dat nog wel erger.
Neil Diamond kan, net als ieder ander mens, door New York dwalen, zonder tussen die miljoenen inwoners een vriend van vroeger te ontdekken, dat zou hetzelfde zijn als een naald vinden in de spreekwoordelijke hooiberg.
Het plaatsje waar mijn wortels liggen, heeft nu 52.000 inwoners en op het moment dat ik daar 36 jaar geleden vertrok, was dat ongeveer de helft.
De polder waar ik in mijn jeugd fietste, is volgebouwd met nieuwe wijken en industrieterrein.
Dat weerspiegelt zich in het centrum, zie ik als ik op een terrasje mensen gade zit te slaan. Hele drommen. Niet zoveel als in New York maar toch genoeg. Hoezeer ik ook speur, ik ken er niet één van. Of ik hérken ze niet meer?
Ik hoor daar niet meer.
Ook hyves en schoolbank bevestigen dat. Dat zijn kanalen die me wel weer in contact brengen met mensen die ik daar heb gekend maar we hebben elkaar niet veel meer te missen. De contacten beperken zich meestal tot: ‘Hoe gaat het nou met jou?; Ja, met mij gaat het ook goed; Met wie ga jij nou nog om van vroeger?; Nee, ik zie ook er ook niet veel meer; Het was leuk je weer eens gesproken te hebben’.
Punt.

Toch ligt daar heel mijn jeugd.
Ik woonde er van mijn tweede tot mijn twee-entwintigste jaar. Veel van mijn oude vrienden zijn, net als ik, vertrokken naar elders. Sommigen zijn al dood en voor degenen die ik dan per ongeluk eens onmoet, geldt: ik heb niks meer met die mensen.
In mijn huidige woonplaats woon ik al 34 jaar, meer dan de helft van mijn leven.
Hier heb ik wortel geschoten. De veranderingen die zich hier voltrokken, zag ik geleidelijk gebeuren.
Als ik weer eens een hoogstenkele keer in dat andere plaatsje kom, schrik ik me wild als ik zie wat daar weer is veranderd.
Hier voel ik me het meest thuis maar ik mís ook iets: een gezamenlijke geschiedenis. Vrienden van school kom ik hier niet tegen, mensen kennen mijn ouders niet, noch de rest van mijn familie, ik ben import. Dat is toch een ‘status aparte’.
Weet je nog?’, is iets wat ik zelden zeg.
Het feit dat ik getrouwd ben met iemand die hier wel vandaan komt, waarvan de familiegeschiedenis bekend is bij de andere ‘inboorlingen’ maakt dat een beetje goed, maar verder dan ‘de vrouw van’ zal ik het nooit schoppen.

Ik heb hier een sociaal netwerk opgebouwd.
Ik heb in die 34 jaren heel veel mensen leren kennen en als ik op straat loop word ik begroet. Ik heb hier ook vrienden gemaakt. Geen tientallen maar wel stuk voor stuk mensen waar we op kunnen bouwen, en zij op mij, op ons.
Hier, waar ik nu woon, verwacht ik ook de rest van mijn leven te blijven wonen.
Ik wil hier oud worden, mijn uitvaart zal ook hier plaatsvinden.
Maar erbij horen zal ik nooit.
Hier niet en daar ook niet meer.

Foetsie

Voor haar achtste verjaardag kreeg mijn dochter een kat, en natuurlijk mocht zij zelf daarvoor een naam bedenken. Ze koos voor ‘Foetsie’ en bewees daarmee over een vooruitziende blik te beschikken.
Een van de eerste keren dat het mormel die naam eer aandeed, zal ik niet licht vergeten. Ik was even van huis geweest en zag de kitten nergens. Geen reden om meteen in paniek te geraken, ze kon in een van de andere kamers zijn, immers? Maar het gekke was dat ik wel een zacht en klaaglijk gemiauw in de woonkamer hoorde. In die tijd had ik een secretaire en in een van die laden bleek het beest zich te hebben verschanst. Zulke laden zijn vaak aan de achterkant niet helemaal afgesloten en het was het kleine kreng gelukt om zich daarlangs in de lade te wurmen waarin ik de telefoonboeken bewaarde. Om die tjokvolle la te openen zonder het katje daarbij te onthoofden was nog best moeilijk.

Zo’n kat is een huisdier en wij hadden ons ook heilig voorgenomen dat we het beestje binnen zouden houden. En van medio mei tot 25 december deden wij dat ook. Op eerste kerstdag echter, nadat wij thuiskwamen uit de kerk, was dat voornemen daaromtrent – voor wat mijzelf betrof -  binnen enkele seconden wel zeer rigoureus veranderd. Ik graaide het beest bij haar nekvel, opende de achterdeur en wierp het loeder zover ik kon de sneeuw in.
Zo! Dat had ze verdiend!
Bij het optuigen van de kerstboom hadden we toch best veel rekening gehouden met de nieuwe huisgenoot. De onderste meter was versierd met onbreekbaar materiaal, pas daarboven hingen de ouderwetse glazen ballen. In de dagen voor kerst hadden we Foetsie iedere keer gecorrigeerd als ze interesse toonde voor de diverse kerstversieringen. Dat leek geslaagd te zijn, want iedere ochtend stond de boom er nog gewoon.
Maar na onze kerstkerkgang lag de versierde spar diagonaal in de woonkamer, te midden van ontelbare glasscherven. Mijn serene kerststemming was op slag bedorven.
Luidkeels miauwend betoogde Foetsie aan de achterdeur dat ze er spijt van had, dat ze het nooit meer zou doen en dat ze naar binnen wilde. Nadat mijn ergste woede was bekoeld en de kamer zeer grondig gestofzuigd, hebben we haar maar weer binnen gelaten. Vanaf dat moment was ons huisdier echter geen binnenkat meer.

Foetsie was niet ons enige huisdier. We hadden er nog een, net als Foetsie ook zwart met een witte bef en vier witte pootjes. Een komisch gezicht als je ze samen zag. Als wij Fretje, de hond die onze zoon voor zijn achtste verjaardag had gekregen, uitlieten, ging Foetsie meestal mee. Ook wanneer we in het bosje met populieren, vlak bij ons huis, gingen wandelen. Beide dieren vonden eekhoorntjes heel leuke speelkameraadjes. Fretje zat nogal eens onderaan ’n boom, waarin een eekhoorn was geklommen, te janken van: kom nou terug naar beneden, joh, we waren net zo leuk aan het spelen. Tja, honden kunnen niet in bomen klimmen. Poesjes wel. Wat zij echter, in tegenstelling tot een eekhoorn, niet kunnen, is van de ene boomtop naar de andere springen.
Populieren kunnen héél hoog worden, zijn tamelijk dun en de toppen zwiepen vervaarlijk, als je bovenin zit. Ik weet dat niet uit eigen ervaring maar lieden die het wel geprobeerd hebben, vertelden mij dat. Dat vond onze Foetsie blijkbaar ook, ze durfde niet meer terug.
Nadat we een uur onderaan de boom hadden staan wachten, besloten we dat het welletjes was en gingen we maar naar huis. Ze zou er wel uitkomen. Katten hebben negen levens. We hadden niet verwacht dat het drie dagen en nachten zou duren voordat ze – graatmager – ineens weer op de stoep stond.
Het leek of Foetsie nu haar lesje had geleerd. Ze bleef netjes rondom het huis en als wij het bosje in gingen met de hond, bleef zij aan de rand op ons wachten.

Een kattenluikje hebben wij nooit gehad. Ik was degene die steeds de deur opende wanneer onze poes aangaf dat ze erin of eruit wilde. Alle afspraken daarover ten spijt was ik ook degene die het beest voorzag van eten en drinken en de kattenbak verschoonde. Iedereen weet dat een hond een baas heeft en een kat personeel. En in ons geval was ik dus dat personeel.
De frequentie waarmee het secreet erin en eruit wou, was zo hoog dat we vaak niet wisten of ze nu binnen of buiten was. Ach, als het etenstijd was kwam ze wel tevoorschijn en ook ’s nachts was ze doorgaans binnen.
Haar nachtelijke slaapplek was namelijk bij mijn dochter in bed. Voordat ik zelf naar bed ging, wierp ik gewoontegetrouw altijd even een blik in de beide kinderkamers. Bij het zien van die twee kopjes boven het dekbed op de kamer van mijn dochter moest ik me iedere avond weer inhouden om niet hardop ‘aaah’ te roepen. Zo vervelend als overdag zowel kat als puberdochter konden wezen, zo vertederend waren ze beiden als ze samen sliepen.

Maar op een dag, Foetsie was toen al jarenlang bij ons, was het weer prijs.
Het was grote vakantie, de kinderen waren thuis en de kat niet. Ze was ook de afgelopen nacht niet binnen geweest, mijn dochter had alleen geslapen.
Het regende al dagenlang dat het goot en we vonden het superzielig dat ons poesje ergens buiten was. We gingen dus zoeken.
‘Kijk vooral in de bomen!’, gaf ik de kinderen als advies.
Ze was nergens te vinden. Niet in de populieren en ook niet platgereden langs de weg. De kinderen hadden vriendjes die ook hadden helpen zoeken en zij hadden het idee geopperd om posters aan lantaarnpalen op te hangen. Nadat er weer een nacht voorbij was zonder dat onze Foetsie was opgedoken, stonden we op het punt om dát dan maar te doen. Tenminste, zodra het beter weer zou worden, nu was dat zinloos. Niet alleen zou zo’n poster verregenen, maar wie bleef er nou in de stromende regen stilstaan om ‘n poster te lezen?
We hadden een beetje hoop dat ze tijdelijk een ander thuis had gevonden. Zoals in veel plaatsen het geval was, woonde ook in onze wijk een aantal bejaarde dames die ‘loslopende’ katten huisvestten. Vrouwen die het goed bedoelden en blijkbaar lekkerder voer hadden dan die beesten thuis kregen, maar niet leken te begrijpen dat ze in feite kattendiefstal pleegden.
We hoopten dus dat Foetsie op zo’n plaats was beland en dat zo’n dame die poster dan zou zien. Daar stonden we met zijn drieën over te praten toen we de afwas deden.
Ik hanteerde de vaatkwast, de kinderen hadden ieder een theedoek en ineens viel mijn oog over hun schouders op het raam in mijn schuurdeur.
Daar zag ik een kattenkopje. Dus dáár was ze al die dagen geweest.
Normaal kwamen we dagelijks een paar keer in de schuur, nu was het echter vakantie en met dit beestenweer had niemand een fiets nodig gehad, dus die schuur was al dagenlang niet open geweest.
De stumper was intelligent genoeg om te snappen dat wij alleen dat raam van de schuur konden zien, was naar dat raam gesprongen en daar hing ze dan, aan de nagels van de voorpootjes, luidkeels te miauwen!
Natuurlijk konden wij dat in de keuken niet horen, we zagen alleen haar bekje open en dichtgaan maar toen wij haar hadden verlost  bleek ze haar stembanden schor te hebben gemiauwd.

Foetsie is inmiddels al weer jaren in de kattenhemel, wij hebben geen thuiswonende kinderen meer en ook geen huisdieren. Mocht ik echter ooit nog een kat nemen, zal ik die waarschijnlijk Boemerang noemen, of Jojo.

Hoe naïef kan je zijn?

Ik heb een vast dagritueel en daarin zit onder andere het online bekijken van die kranten die niet in de brievenbus komen. Onze regiokrant hoort daarbij, ik lees wel online wie er overleden zijn en ook de rest van het regionieuws.
Meteen na het openen van die site was ik al geïrriteerd. Een Pop-up-reclame! En zoals tegenwoordig steeds vaker het geval is, was het sluitcommando daarvan goed verstopt. Het krijgt dan iets weg van een spelletje: ‘zoek het kruisje’ en terwijl je daarmee bezig bent, neem je onbewust toch even kennis van het geadverteerde.
Over het hoofdartikel hing een touw, daaraan hing een bewegend label, dat draaide. Aan de ene kant stond een tekst en aan de andere kant kreeg je dan te zien om welk bedrijf het ging.
Nu heb ik een zesde zintuig voor taalfouten. Taalfouten van ánderen, dan. Die van mezelf, daar lees ik rustig overheen, tot twintig keer toe. In de bijbel staat daar nog een mooie parabel over, iets met splinters en balken en ogen.
Ik had de pop-up weggeklikt en terwijl ik de regionale berichten las, was er in mijn hoofd een alarmlampje gaan knipperen. Ik had weer eens een fout gezien, maar was nog niet wakker genoeg geweest om hem precies te kunnen duiden. Ik klikte terug naar die eerste pagina en: ja hoor!  Daar stond het. ‘Laat u verassen.’  Met één R!
Ik probeer al geruime tijd tevergeefs de redactie van die krant te verleiden mij als columnist aan te stellen en ik meende hier een prachtkans te hebben. Ik begon aan een verhaal over hoe ik dacht met een advertentie van de DELA te maken te hebben, en al zeg ik het zelf, het werd een heel aardig specimen van mijn kunnen. Dat ik snel moest zijn, voordat een ander het ook zag, stond als een paal boven water. Het zou alleen dán leuk binnenkomen op de redactie, wanneer nog niemand me vóór was geweest.

Tot zover redeneerde ik goed. De redactie heeft gelachen.
Wie is er nou zo stom om te veronderstellen, dat een krant, die voor haar inkomsten deels afhankelijk is van adverteerders, een column zal plaatsen waarin zo’n adverteerder belachelijk wordt gemaakt? En niet zomaar een adverteerder, nee, eentje die zelfs veel geld voor een pop-up over heeft!
Helaas realiseerde ik me dat te laat. Pas nadat ik het had geschreven, herschreven en tenslotte op verzend had gedrukt, drong dat tot me door.
Het leverde me géén column op. Wel een mailtje van de hoofdredacteur waarin hij me bedankte voor het feit dat ik de redactie had doen schateren.
Maar of dat nou om dat ontbreken van die R was of om mijn naïviteit zal ik nooit weten.

De Fluitende Tuinkabouter

Aan het begin van de afgelopen zomer was ik weer eens bezweken in zo’n winkel waar alles heel goedkoop is.
Ken je die winkels?
Er zijn een paar van die ketens in ons land. Ze verkopen vaak ook dingen die we regelmatig echt nodig hebben en die zaken zijn daar dan zo goedkoop dat je er wel heen moet. Zo verkoopt één van die ketens een wasmiddel dat bij de consumentenbond heel hoog scoorde in de test, een andere heeft weer heel voordelige ingrediënten voor uitheemse gerechten, en daarnaast verkopen ze een heleboel dingen die een mens ab-so-luut niet nodig heeft maar wel wil hebben. Al was het alleen maar omdat het bijna niks kost. Dát soort winkels bedoel ik.
Ik stap daar dan naar binnen met een boodschappenlijstje en goede voornemens en zonder één uitzondering kom ik weer buiten met véél meer dan dat er op mijn lijstje stond.
Dit voorjaar kocht ik daar dus onze ‘fluitkabouter’.
Dat zou handig zijn, dan zouden wij het voortaan horen als er iemand onverwacht achterlangs in de tuin zou stappen, en voor die € 2.19, zeg nou zelf, zou dat niet heel handig zijn?
Okay, ik wéét het! Als je zo redeneert kan je de hele winkelinhoud wel mee naar huis nemen. Maar bekijk het eens anders. Kijk eens naar al die andere keren dat ik manhaftig ‘nee’ gezegd had tegen al die verleidelijkheden. Die schitterende LED-schemerlamp had ik al niet gekocht, dat ultra-goedkope servies ook al niet en die mooie beelden die zo schitterend op mijn vensterbank zouden staan evenmin.
Voor de kabouter had ik nou een legitieme smoes gevonden.
Hij mocht met me mee naar huis, daar stopte ik er batterijen in en plaatste hem bij de ingang van de tuin.
Elke keer als ik langsliep, floot hij.
Lekker ordinair, net als een bouwvakker!
Nou ben ik 55 jaar en de tijden dat zoiets met regelmaat gebeurde, liggen ver achter me.
Je kan je dus indenken dat dit zeer heilzaam was voor mijn ego.

Helaas is € 2.19 een bedrag waarvoor men geen hoge verwachtingen mag koesteren.
Het kabouterventje bleek al snel over een zeer onbetrouwbaar karakter te beschikken. Hij floot of floot niet, naar gelang zijn puntmuts stond. Als ik langsliep bleef het stil, kwam mijn man daarentegen langs dan floot hij alsof zijn leven er van afhing, hetgeen aan mij de verzuchting ontlokte: ‘Ja hoor, dat heb ik weer: een homoseksuele tuinkabouter.’

Soms ook, op heel mooie zomerdagen als wij in de tuin zaten, begon hij wel eens zomaar te fluiten. Wij haastten ons dan om kleren aan te trekken en er enigszins salonfähig uit te zien, maar jammer dan, er kwam niemand.
Het verschijnsel herhaalde zich, wij begonnen zelfs buurman al te verdenken dat hij ons voor het lapje hield, dat hij het was die zo ordinair liep te fluiten, toen wij ineens ontdekten wat de werkelijke oorzaak was. Een hoge boom, in de tuin van buurman, wierp aan het einde van de middag soms eventjes wat schaduw over die kabouter, die dan dacht dat er iemand langs liep, en derhalve floot.

De zomer is nu voorbij en vorig weekend kwamen vrienden ons helpen bij het verwijderen van wat coniferen, die veel groter waren gegroeid dan dat ooit mijn bedoeling was geweest. Ze stonden in de weg. In de weg voor de zon, ze wierpen te veel schaduw op ons terrasje maar ze waren ook hinderlijk over het tuinpad gaan groeien, wat ons met regenachtig weer een nat pak opleverde. Die dingen moesten eruit en dat gebeurde dus nu.
Het was een af- en aan geloop van jewelste en elke keer floot het onding.
Dan is zoiets al snel niet leuk meer, dan gaat het irriteren.
Ik besloot er korte metten mee te maken en nam het ding mee naar binnen. Die kabouter wist niet wat ‘m overkwam. Alles bewoog nu onophoudelijk. Het onbedaarlijk fluiten was niet om aan te horen. De hele tijd dat ik zat uit te zoeken hoe het batterijklepje open moest, ging hij daarmee door en het ventje is goed weggekomen. Op een haar na had ik hem stukgegooid, zo nerveus en gefrustreerd werd ik ervan!
Ten langen leste is het me gelukt.
Eindelijk was het stil.
De batterijtjes zijn weer opgeladen en het kaboutertje staat nu batterijloos in de tuin. Hij fluit niet meer, hoera.
En zeg nou zelf: € 2.19 voor zo’n leuk beeldje, dat is toch niet duur?

Geluk te koop

Soms lees ik in de damesbladen over een cosmeticaproduct waarvan wordt geschreven dat het mijn leven zal veraangenamen, bijdragen tot mijn geluk, zogezegd. Daarbij vergeet ik wel eens dat de firma die deze spullen fabriceert alleen maar wil adverteren in dat damesblad als er ook een redactioneel stukje over wordt geschreven. U gelooft toch niet werkelijk dat u de zonnebrandcrème van vorig jaar moet weggooien, hè? Ik niet, maar soms trap ik er toch in.
Dan geloof ik die onzin en koop weer eens iets wat doorgaans niet doet wat het belooft.
Het gaat bij mij meestal om handverzorging. Mijn handen zie ik namelijk zelf. Die kop van me kan me minder schelen. Ik verwaarloos gezicht en kapsel niet, hoor, maar mijn handen en nagels hebben een speciaal plekje in mijn hart, daar trek ik werkelijk tijd voor uit. Het doosje waarin ik mijn nagellak bewaarde, is al lang vervangen door een schoenendoos. U kunt geen kleur verzinnen of ik heb ‘m. Mijn nagels zitten altijd strak in de lak. Bij de geringste beschadiging gaat er een nieuwe kleur op en voor bijzondere gelegenheden ook, om bij mijn outfit te passen.
Daar komt veel meer bij kijken dan alleen die kleurtjes, zoals de ervaren nagellaksters onder u wel zullen weten. Men heeft nagellakverdunner nodig, want die potjes drogen uit op den duur, en goede remover die de nagels beschermt. Wie het écht goed wil doen, brengt onder een kleurtje een basecoat aan en werkt het geheel af met sneldrogende topcoating, een soort vernis.
Over die toplaag wil ik het even hebben. Ik kocht ooit een heel duur product dat wél deed wat het beloofde, de nagellak bleef minstens een week perfect zitten, zonder te chippen. Chipping is een Engels woord voor het verschijnsel dat de lak aan de randen van de nagels bladdert, meestal veroorzaakt door het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden. Pannenspons, prijsstickertjes verwijderen, tuinwerkzaamheden, dat is allemaal moordend voor nagellak. Mijn nieuwe topcoating weerstond alles glansrijk!
Het was wel duur spul, dat vertelde ik al. Als ik een drogisterij was binnengelopen omdat mijn handcrème op was, of om te kijken of er misschien toch nog een kleurtje was dat aan mijn verzameling ontbrak, zag ik soms ándere topcoats die, weliswaar ook met een betrouwbare naam en evenmin echt goedkoop, toch veel voordeliger waren dan die ik thuis had. Die kocht ik dan, op voorraad. Maakte me dat gelukkiger? Nee, niet echt.
Toen het moment aangebroken was dat ik ze noodgedwongen moest gaan gebruiken omdat die dure op was, werd ik er zelfs bar ongelukkig van. Een hele verzameling nagellakvernissen stond voor mij op een rij, allemaal samen kostten die een veelvoud van die ene dure en geen van allen voldeden ze.
Ik beschouw het maar als leergeld en parkeer deze ervaring op een prominente plaats in mijn geheugen, zodat ik daaraan denk wanneer ik weer eens naar een drogist of parfumerie ga. Binnenkort is dat peperdure flaconnetje leeg en ik zal dus eerdaags een nieuw moeten aanschaffen. Wanneer ik in die winkel dan in de verleiding kom om iets te anders te kopen dan waarvoor ik kwam, hoop ik me tijdig te herinneren: dit gaat me niet gelukkiger maken.

Over autorijden en kookprogramma’s

Als ik naar mijn dochter rij, kom ik langs een mooie vijver. Mensen kunnen daar vissen en doen dat ook. De plas schijnt ook nog een functie te hebben als bluswater. Multifunctioneel dus. Allerlei soorten vogels en vissen hebben daar hun habitat gevonden. Sommige uit zichzelf, andere zijn daar neergeplaatst. Uitgezet, noemt men dat.
De omgeving van die waterpartij is een lust voor het oog. Eenden, waterkipjes, waterhoentjes en heel af en toe een zwaan, in het voorjaar natuulijk allemaal met jonkies. Een mens komt ogen te kort. Vooral als je een auto bestuurt, kan een mooie woerd in het gras je lelijk afleiden en een moedereend met pluizenbolletjes erachter nog meer.
Wat zijn ze lief, zo lief dat een mens het overige verkeer soms over het hoofd dreigt te zien. Gevaarlijk dus voor de automobilisten.
Toch zie je betrekkelijk weinig platgereden chauffeurs rondom die waterplas.
Dat is anders waar het om de watervogels gaat.
De Barbarijse eenden die daar oorspronkelijk van gemeentewege waren uitgezet om klachten van omwonenden over kwaken en andere geluiden bij voorbaat de kop in te drukken, bleken naast stom, ook nog doof te wezen.
Tenminste, zo leek het wel want in een recordtempo waren ze verdwenen. Een enorme hoeveelheid zwart-wit-rode plakkaten op het asfalt gaf een duidelijke indicatie over de oorzaak hiervan. Hun plaats werd al snel spontaan ingenomen door waterhoentjes en andere soorten eenden, zodat nu ook plekken met alleen zwarte, bruingroene en bruine veren het asfalt sieren tot op een afstand van 250 meter van de bewuste vijver.

In het voorjaar zijn die beesten superonvoorzichtig. Of dit nou komt door hormonen, of door de kuikentjes die beschermd moeten worden, is me niet bekend, maar in de lentemaanden is het aantal onsmakelijke plakkaten nog veel groter dan tijdens de rest van het jaar.

Op een mooie dag in mei, als ik naar mijn dochter ga, is het weer eens goed raak. Als ze reeds helemaal platgereden zijn, dan kan ik er nog een beetje tegen, maar wanneer zo’n vogel nog herkenbaar is maakt de aanblik van deze ‘roadkill’ me vaak tot brakens toe misselijk.
Het is niet ver naar mijn dochter. Als ik daar aankom, kijkt ze naar een kookprogramma op TV. Mensen in witte jassen, allemaal een beetje aan de mollige kant zoals de meeste goede koks, proberen elkaar de loef af te steken bij het vervaardigen van allemaal dezelfde maaltijd. Ze snijden, hakken, dikken een saus in en uiteindelijk maken ze allemaal hun bord op. Het ene nog fraaier dan het andere, saus en citrusvruchten decoreren een langwerpig stuk vlees dat aan de buitenzijde mooi donkerbruin is en van binnen heerlijk sappig roze. Langzaam dringt het tot me door welk gerecht het is dat daar zo smakelijk wordt gepresenteerd.
Canard à l’Orange!
Dooie eend.
Op slag komt voor mijn geestesoog het beeld weer terug van het begin van mijn autoritje.
Zonder dat ik de tijd heb me te verontschuldigen vlieg ik kokhalzend uit mijn stoel en haal de wc-pot nog net op tijd…

Maar ik rook wel.

In 1998 zond STIVORO antirook-sterspotjes uit op TV. Voor wie zich dat niet herinnert: in een restaurant keurde een onvriendelijke dame de ene wijn na de andere áf en bestelde tenslotte: ‘Áp-pel-sap!’ De ober, een jongeman, urineerde in een glas, zette dat op haar tafel en terwijl hij olijk naar de camera knipoogde, zei hij: ‘maar ik rook niet’. (http://www.youtube.com/watch?v=Zq-OZyMXcw0 )
Het is nu dertien jaar later.
Ik ga nooit meer uit eten. Nou ja, wanneer het moet om de een of andere reden, maar niet meer voor mijn plezier. In restaurants mag je helemaal niet meer roken. In cafés speelt dit minder, in onze regio zijn bijna geen kroegen die zich iets aantrekken van het verbod.
Maar in die gelegenheden kwam ik al zelden.
Het aantal adressen waar je als je op bezoek bent niet mag roken, groeit met de dag. Mensen hebben daar het volste recht toe, het is immers hun huis.
Ik ben verslaafd aan roken. Ik geef dat ruiterlijk toe, zwaar verslaafd zelfs. Ze hadden me verzekerd dat zoiets niet zou gebeuren: ‘Nee joh, van ééntje word je niet verslaafd,’ en ze drongen aan: ‘Doe nou mee, dan hoor je er pas écht bij!’
Wie dat waren, die lui die mij op mijn zestiende overhaalden om ‘ook een grote meid te zijn’? Dat waren mijn collega’s van afdeling pathologische anatomie in het ziekenhuis. Onze baas, de patholoog-anatoom rookte zelf ook, alle zieke longen die hij moest onderzoeken ten spijt.
Ik raakte wél verslaafd en mijn pogingen tot stoppen mislukten.
U zult mij niet horen beweren dat roken gezond is. Ik weet dat dit onmogelijk het geval kan zijn. Ik ga ik hier ook geen pleidooi houden over hoeveel rokers die ik ken, die een heel hoge leeftijd hebben bereikt. Er zijn al genoeg sites waar wordt benadrukt dat bijvoorbeeld Parkinson en Alzheimer nauwelijks voorkomen onder rokers, net als sites waarop de onmogelijkheid van de gevaren van meeroken wiskundig wordt aangetoond.
Roken is ontegenzeggelijk slecht voor je gezondheid, voor je plafond, behang, gordijnen en je portemonnee. Mijn toetsenbord lijdt ervan en dat mijn CD-rombrander regelmatig moet worden vervangen schijnt ook te komen van de kwalijke dampen die ik – al rokend – uitstoot.
Wie nog niet rookt, wil ik dringend aanraden: begin er niet mee! Je bent sneller afhankelijk dan je denkt.
Wat me echter bijzonder stoort, is dat ik nu lees dat het slecht gaat met de restaurants en dat de crisis alléén hiervan de schuld krijgt. Vorig jaar las ik dergelijke berichten over de hotelbranche en ook daar werd de zwarte piet bij de slechte economische situatie gelegd. Er zal ongetwijfeld een verband zijn tussen minder netto in het handje krijgen en luxe zaken zoals etentjes, dat is toch logisch? Dat bij deze onderwerpen nergens een link wordt gelegd met het rookverbod, stoort me. Het kan niet anders dan dat een aanzienlijk deel van het omzetverlies voor rekening komt van de wegblijvende rokers, maar dat wordt helemaal genegeerd. Dat is meer dan hypocriet, het is gewoon een vorm van liegen.
En toevallig is liegen iets wat ik heel onfatsoenlijk vind en waarop u me niet gemakkelijk zult betrappen.
Net zomin als op urineren in glaasjes appelsap.