Voor haar achtste verjaardag kreeg mijn dochter een kat, en natuurlijk mocht zij zelf daarvoor een naam bedenken. Ze koos voor ‘Foetsie’ en bewees daarmee over een vooruitziende blik te beschikken.
Een van de eerste keren dat het mormel die naam eer aandeed, zal ik niet licht vergeten. Ik was even van huis geweest en zag de kitten nergens. Geen reden om meteen in paniek te geraken, ze kon in een van de andere kamers zijn, immers? Maar het gekke was dat ik wel een zacht en klaaglijk gemiauw in de woonkamer hoorde. In die tijd had ik een secretaire en in een van die laden bleek het beest zich te hebben verschanst. Zulke laden zijn vaak aan de achterkant niet helemaal afgesloten en het was het kleine kreng gelukt om zich daarlangs in de lade te wurmen waarin ik de telefoonboeken bewaarde. Om die tjokvolle la te openen zonder het katje daarbij te onthoofden was nog best moeilijk.
Zo’n kat is een huisdier en wij hadden ons ook heilig voorgenomen dat we het beestje binnen zouden houden. En van medio mei tot 25 december deden wij dat ook. Op eerste kerstdag echter, nadat wij thuiskwamen uit de kerk, was dat voornemen daaromtrent – voor wat mijzelf betrof - binnen enkele seconden wel zeer rigoureus veranderd. Ik graaide het beest bij haar nekvel, opende de achterdeur en wierp het loeder zover ik kon de sneeuw in.
Zo! Dat had ze verdiend!
Bij het optuigen van de kerstboom hadden we toch best veel rekening gehouden met de nieuwe huisgenoot. De onderste meter was versierd met onbreekbaar materiaal, pas daarboven hingen de ouderwetse glazen ballen. In de dagen voor kerst hadden we Foetsie iedere keer gecorrigeerd als ze interesse toonde voor de diverse kerstversieringen. Dat leek geslaagd te zijn, want iedere ochtend stond de boom er nog gewoon.
Maar na onze kerstkerkgang lag de versierde spar diagonaal in de woonkamer, te midden van ontelbare glasscherven. Mijn serene kerststemming was op slag bedorven.
Luidkeels miauwend betoogde Foetsie aan de achterdeur dat ze er spijt van had, dat ze het nooit meer zou doen en dat ze naar binnen wilde. Nadat mijn ergste woede was bekoeld en de kamer zeer grondig gestofzuigd, hebben we haar maar weer binnen gelaten. Vanaf dat moment was ons huisdier echter geen binnenkat meer.
Foetsie was niet ons enige huisdier. We hadden er nog een, net als Foetsie ook zwart met een witte bef en vier witte pootjes. Een komisch gezicht als je ze samen zag. Als wij Fretje, de hond die onze zoon voor zijn achtste verjaardag had gekregen, uitlieten, ging Foetsie meestal mee. Ook wanneer we in het bosje met populieren, vlak bij ons huis, gingen wandelen. Beide dieren vonden eekhoorntjes heel leuke speelkameraadjes. Fretje zat nogal eens onderaan ’n boom, waarin een eekhoorn was geklommen, te janken van: kom nou terug naar beneden, joh, we waren net zo leuk aan het spelen.
Tja, honden kunnen niet in bomen klimmen. Poesjes wel. Wat zij echter, in tegenstelling tot een eekhoorn, niet kunnen, is van de ene boomtop naar de andere springen.
Populieren kunnen héél hoog worden, zijn tamelijk dun en de toppen zwiepen vervaarlijk, als je bovenin zit. Ik weet dat niet uit eigen ervaring maar lieden die het wel geprobeerd hebben, vertelden mij dat. Dat vond onze Foetsie blijkbaar ook, ze durfde niet meer terug.
Nadat we een uur onderaan de boom hadden staan wachten, besloten we dat het welletjes was en gingen we maar naar huis. Ze zou er wel uitkomen. Katten hebben negen levens. We hadden niet verwacht dat het drie dagen en nachten zou duren voordat ze – graatmager – ineens weer op de stoep stond.
Het leek of Foetsie nu haar lesje had geleerd. Ze bleef netjes rondom het huis en als wij het bosje in gingen met de hond, bleef zij aan de rand op ons wachten.
Een kattenluikje hebben wij nooit gehad. Ik was degene die steeds de deur opende wanneer onze poes aangaf dat ze erin of eruit wilde. Alle afspraken daarover ten spijt was ik ook degene die het beest voorzag van eten en drinken en de kattenbak verschoonde. Iedereen weet dat een hond een baas heeft en een kat personeel. En in ons geval was ik dus dat personeel.
De frequentie waarmee het secreet erin en eruit wou, was zo hoog dat we vaak niet wisten of ze nu binnen of buiten was. Ach, als het etenstijd was kwam ze wel tevoorschijn en ook ’s nachts was ze doorgaans binnen.
Haar nachtelijke slaapplek was namelijk bij mijn dochter in bed. Voordat ik zelf naar bed ging, wierp ik gewoontegetrouw altijd even een blik in de beide kinderkamers. Bij het zien van die twee kopjes boven het dekbed op de kamer van mijn dochter moest ik me iedere avond weer inhouden om niet hardop ‘aaah’ te roepen. Zo vervelend als overdag zowel kat als puberdochter konden wezen, zo vertederend waren ze beiden als ze samen sliepen.
Maar op een dag, Foetsie was toen al jarenlang bij ons, was het weer prijs.
Het was grote vakantie, de kinderen waren thuis en de kat niet. Ze was ook de afgelopen nacht niet binnen geweest, mijn dochter had alleen geslapen.
Het regende al dagenlang dat het goot en we vonden het superzielig dat ons poesje ergens buiten was. We gingen dus zoeken.
‘Kijk vooral in de bomen!’, gaf ik de kinderen als advies.
Ze was nergens te vinden. Niet in de populieren en ook niet platgereden langs de weg. De kinderen hadden vriendjes die ook hadden helpen zoeken en zij hadden het idee geopperd om posters aan lantaarnpalen op te hangen. Nadat er weer een nacht voorbij was zonder dat onze Foetsie was opgedoken, stonden we op het punt om dát dan maar te doen. Tenminste, zodra het beter weer zou worden, nu was dat zinloos. Niet alleen zou zo’n poster verregenen, maar wie bleef er nou in de stromende regen stilstaan om ‘n poster te lezen?
We hadden een beetje hoop dat ze tijdelijk een ander thuis had gevonden. Zoals in veel plaatsen het geval was, woonde ook in onze wijk een aantal bejaarde dames die ‘loslopende’ katten huisvestten. Vrouwen die het goed bedoelden en blijkbaar lekkerder voer hadden dan die beesten thuis kregen, maar niet leken te begrijpen dat ze in feite kattendiefstal pleegden.
We hoopten dus dat Foetsie op zo’n plaats was beland en dat zo’n dame die poster dan zou zien. Daar stonden we met zijn drieën over te praten toen we de afwas deden.
Ik hanteerde de vaatkwast, de kinderen hadden ieder een theedoek en ineens viel mijn oog over hun schouders op het raam in mijn schuurdeur.
Daar zag ik een kattenkopje. Dus dáár was ze al die dagen geweest.
Normaal kwamen we dagelijks een paar keer in de schuur, nu was het echter vakantie en met dit beestenweer had niemand een fiets nodig gehad, dus die schuur was al dagenlang niet open geweest.
De stumper was intelligent genoeg om te snappen dat wij alleen dat raam van de schuur konden zien, was naar dat raam gesprongen en daar hing ze dan, aan de nagels van de voorpootjes, luidkeels te miauwen!
Natuurlijk konden wij dat in de keuken niet horen, we zagen alleen haar bekje open en dichtgaan maar toen wij haar hadden verlost bleek ze haar stembanden schor te hebben gemiauwd.
Foetsie is inmiddels al weer jaren in de kattenhemel, wij hebben geen thuiswonende kinderen meer en ook geen huisdieren. Mocht ik echter ooit nog een kat nemen, zal ik die waarschijnlijk Boemerang noemen, of Jojo.